text/html, 8663 bytes, 19 november 2009
Het is misschien een rare vraag: “wat zijn mensen op datingsites eigenlijk aan het doen?” Het onmiddelijke antwoord is “zoeken naar een partner.” Dan een nieuwe vraag: “waar zijn mensen die gebruik maken van datingsites nu eigenlijk mee bezig?” Deze vraag is niet bedoeld zonder intonatie van verontwaardiging. Is “zoeken naar een partner,” het nastreven van “het vinden van een partner,” geen daad van wanhoop?
Zonder op deze vraag een instemmend of ontkennend antwoord te geven vraag ik me af waar deze verontwaardiging vandaan komt. Ik antwoord dat het een gevoelsdaad omzet in functionele termen. Of als ik Peter Venmans parafraseer ‘dat onze leefwereld gekoloniseerd wordt door het utiliteitsdenken en het pragmatisme’ (2008: 10). In plaats van een ‘natuurlijk’ ontstaan van verlangen jegens een ander –bijvoorbeeld wanneer iemand in een leefsituatie (werk, school, sport, etc.) ‘iets’ voor iemand gaat voelen–, wordt verlangen de drijfveer voor de zoektocht naar een ander –het moment dat het gevoel van romantiek en intimiteit als een gemis ervaren wordt dat overkomen dient te worden–. Wat daarmee verlangd wordt is niet de ander, maar de romantiek en intimiteit die een ander te bieden heeft. De ander wordt niet begeerd, maar een middel tot begeerte. En begeerte wordt de toets waaraan het middel getest wordt. Zonder ‘klik’ wordt de test niet gehaald.
Dit perspectief is echter ook te handhaven zonder datingsites. Uit de oudere persoonlijke advertenties in kranten is precies hetzelfde af te leiden. Ook daar wordt de ander een middel tot begeerte. En ‘natuurlijk’ is het ‘natuurlijke ontstaan van verlangen jegens een ander’ ook in twijfel te trekken. Want is het niet de hedendaagse cultuur die juist dit verlangen naar romantiek en intimiteit opwekt bij haar onderdanen, zonder dit verlangen ‘natuurlijk’ te laten ontstaan? Daarmee bedoel ik zonder een verlangen jegens een ander te ontwikkelen, maar door verlangen in een discursieve constructie –in reclame-uitingen en tijdschriften, televisieprogramma’s en onderlinge gesprekken– te constitueren. Dit is geen verlangen naar een specifiek persoon, maar naar de geest van romantiek en intimiteit. Kan het daardoor nog als verrassend beschouwd worden dat mensen opzoek gaan naar een ander als middel om hun verlangen te stillen?
Albert Camus zou zeggen dat zuiver gezien dit stillen van verlangen de absurde mens karakteriseerd, zolang het geen hoger doel dient dan zichzelf. Dit verlangen is wat zij/hij kent en wat zij/hij dient, zonder daar gevolgen uit te trekken. Dit verlangen kan echter niet bestaan zonder gemis en zo gezien ook nooit ‘gestild’ worden. Zo komt het dienen van verlangen voor de absurde mens ook met het accepteren van het gemis dat haar bestaan mogelijk maakt. In deze absurde gedachtegang is verlangen naar romantiek en intimiteit geen verlangen naar een hogere eenheid, naar de verlossing van een gemis, maar datgene wat de exploratie van haar vele verschijningen mogelijk maakt. Teruggeworpen op ons verlangen, de onmogelijkheid het te overkomen aanvaard, resteert slechts een spel binnen de repetitie. De werkelijk absurde mens is ons echter vreemd binnen een utiliteitsdenken waarin problemen er zijn om opgelost in plaats van aanvaard te worden.
Toch grijp ik hier net naast het werkelijke probleem dat zich te kennen heeft gegeven als het probleem van de geest van romantiek en intimiteit. Ons ongenoegen over het oplossen, zelfs over het eigenlijke bestaan van dit ‘liefdesprobleem’, toont dat we hier eigenlijk liever niet van een probleem zouden spreken. Alle mensen die op hun dateprofiel vermelden ‘niet op zoek te zijn, maar openstaan om ‘iets’ (liefde) of ‘iemand’ (de prins(es) op het witte paard) te vinden,’ negeren de honger van het verlangen, relativeren de zwaarte van het probleem, want van een probleem mag niet gesproken worden. Voor deze mensen is er, uitgedrukt in marketing termen, hoogstens sprake van een wens in plaats van een behoefte. Zij zijn niet opzoek naar een ‘benodigheid’, maar naar een ‘aardigheid’. Ze geven aan zonder vervulling van de wens ook tevreden te kunnen zijn. Wat ze eigenlijk zeggen is niet (wanhopig) op zoek te zijn, omdat het resultaat geen noodzaak, maar een aardigheid is.
Toch is dit vreemd, want wanneer iemand ‘wanhopig’ op zoek is naar een nieuwe, betaalbare koelkast begrijpen we dit als de noodzaak om een koelkast te bezitten gecombineerd met het onvermogen om een betaalbare koelkast te vinden. Wanhoop ontstaat dus niet alleen uit noodzaak, maar ook uit onvermogen, anders zou er sprake zijn van het zoeken naar een nieuwe betaalbare koelkast, zonder dat het iemand tot wanhoop drijft, of als wanhopig doet overkomen. Dit onvermogen wordt op dateprofielen ook gerelativeerd, meestal met de opmerking ‘genoeg vrienden te hebben’, of ‘niet sociaal onvaardig te zijn.’ Ook voor deze mensen is er geen sprake van een probleem. Ze worden niet getergd door het verlangen naar romantiek en intimiteit, omdat ze vermogelijk zijn dit verlangen tegemoet te komen.
Wanneer het resultaat van de zoektocht gezien wordt als aardigheid in plaats van noodzaak, wordt het eventuele onvermogen om het gezochtte te kunnen vinden onproblematisch. Iemand die niet zo goed is in het vinden van romantiek en intimiteit, maar de behoefte hieraan relativeert, ondervindt geen probleem. Aan de andere kant maakt het vermogen het gezochtte te kunnen vinden de zoektocht ook onproblematisch, maar wordt de noodzaak van het zoeken niet uitgesloten. Iemand die geen problemen heeft met het aangaan van nieuwe relaties, maar hier wel behoefte aan heeft, zal ook geen probleem ondervinden. In beide gevallen wordt het probleem ontweken, zonder dat we te weten zijn gekomen wat het bezwaar tegen het probleem nu eigenlijk is. Waarom staat het ons tegen om te zoeken naar iets waar we behoefte aan hebben, maar wat we niet kunnen krijgen? Is het onvermogen om iets te verkrijgen waar we een noodzaak in zien ook niet de voedingsbodem van menig utopie? Waarom is dit anders wanneer we zoeken naar een ongevonden liefde?
Hier helpt het idee van de ware liefde ons verder te komen. Zoals jeg synes zegt: “ware liefde daar moet je niet naar zoeken, want die vind je niet...dat overkomt je...” Alhoewel het geloof in de ware liefde niet door iedereen gedeeld wordt, legt het precies het probleem van de zoektocht bloot. Het positioneert liefde in het domein van de ervaringen, daar waar het verstand geen grip op heeft en weten plaats maakt voor voelen. Romantiek en intimiteit doen een stapje terug op de ladder van uitzonderlijkheid, maar blijven evengoed binnen dit ervaringsdomein. Wanneer zij iets worden om gevonden te worden, wanneer de wil regeert over het gevoel, dan nemen zij af in kwaliteit. Dan heeft het gevoel, dat wat als enige in staat is om het gezicht van de liefde te aanschouwen, geen recht van spreken meer. Het probleem is dat het verstand waarmee we zoeken niet in staat geacht wordt om de ervaring van romantiek en intimiteit in kwaliteit te kunnen vinden.